|
2opreis.com
Thailand

Land en landschap
Het koninkrijk Thailand ligt in het centrum van
Zuidoost-Azië en grenst in het noorden aan de landen Myanmar
en Laos, in het zuidoosten aan Cambodja en in het uiterste
zuiden aan Maleisië. Het drielandenpunt in het noorden
Thailand/Laos/Myanmar is bekend als de 'Gouden Driehoek',
vanwege de opiumteelt. De Thaise oostkust strekt zich over
een lengte van 1520 km uit langs de Golf van Thailand. De
westkust is 'slechts' 560 km en ligt aan de Andamanse Zee.
Het land heeft een oppervlakte van 517.000 km² en is daarmee
ruim twaalf keer zo groot als Nederland. Thailand kent
verschillende landschappen. In het noorden treffen we
beboste berglanden, met als hoogste top de Doi Inthanon
(2595 m). Zo'n 12% van Thailand is nog bedekt met bos. Het
noordoosten is het armste deel van het koninkrijk, vanwege
de onregelmatige regenval. Er zijn tijden van droogte of
juist overstromingen. Het centrum van het land is vruchtbaar
gebied (rijstteelt) en hier stroomt ook Thailands
belangrijkste rivier: de Chao Phraya, met haar bron- en
zijrivieren. In de landengte van Zuid-Thailand is de
vegetatie tropisch, met regenwouden, palmbomen en mangrove.
Voor de kust liggen idyllische eilandjes met palmstranden,
met als bekendste Koh Phuket, Koh Samui, Koh Samet, Koh
Chang (Koh=eiland). Wilde dieren zijn er nog genoeg in
Thailand, maar je moet er wel moeite voor doen en geduld
hebben om ze te zien. Het 'wildlife' is geconcentreerd in de
79 nationale parken. Er leven in het wild nog olifanten,
tijgers, slangen, wilde waterbuffels, herten, gibbons,
makaken, beren en tapirs. Ook komen er veel vogelsoorten
voor en onder water zijn veel verschillende kleurrijke
vissen en koraalriffen te zien.
Kunst
Beeldhouwkunst, schilderkunst en bouwkunst zijn in Thailand
het sterkst beïnvloed door de religie. De beeldhouwkunst
heeft zich vrijwel uitsluitend geconcentreerd op
afbeeldingen van de boeddha. Ze werden in de eerste plaats
niet gecreëerd als kunstvoorwerpen, maar om de toeschouwer
aan het geloof te herinneren. Beeldhouwkunst is verder te
zien als tempelversiering in de vorm van demonische of
mythologische wezens, menselijk, dierlijk of een
fantastische combinatie van beiden. De bouwkunst is prachtig
in tempelgebouwen en pagoden. Kenmerken die de tempels
gemeenschappelijk hebben zijn de in vele verdiepingen
opgebouwde daken met ver uitstekende dakranden en een
rijkdom aan decoratieve details, zowel aan de binnen- als
aan de buitenkant. Pagodes komen het meest voor in de vorm
van chedi's, klokvormig met sierlijk toelopende punten (als
Wat Saket), of als Khmer prangs, spitsen in de vorm van een
vinger (zoals Wat Arun). Ook de traditionele huizen zijn erg
apart. Deze woningen bestonden uit teakhouten panelen,
steile zadeldaken en sierlijk houtsnijwerk. In Bangkok kun
je zo'n huis bezoeken, dat nu ingericht is als museum: het
Jim Thompson's House. Het klassieke danstheater van Thailand
ontleent veel van zijn stof aan het oeroude hindoe-verhaal
Ramayana. Dit epos vertelt het verhaal van de held Rama,
zijn vrouw Sita, zijn halfbroer Laksman en de apenkoning
Hanuman. Onder begeleiding van een orkest worden de
gracieuze dansen uitgevoerd. De danseressen met hun
kegelvormige hoofdtooien en lange kunstnagels zijn inmiddels
een nationaal symbool voor Thailand. Ze hebben een lange
opleiding achter de rug, waarin ze de betekenisvolle
bewegingen leren (elk gebaar symboliseert een emotie: liefde,
angst, haat, verlangen) en een bijna bovennatuurlijke
lichamelijke soepelheid ontwikkelen. Behalve in theaters zie
je de danseressen soms aan het werk in de tempels. In de
buurt van Chiang Mai kun je de lange handwerktradities zien
op diverse werkplaatsen voor zilver, zijde, houtsnijwerk,
brons, vlechtwerk, sieraden, lakwerk, aardewerk en
beschilderde parasols.
Bevolking
De bevolking van Thailand telt naar schatting 61 miljoen
inwoners. Thailand is een redelijk ontwikkeld land met een
goede infrastructuur en grote steden. De hoofdstad Bangkok
is veruit de grootste stad, met een populatie van meer dan
tien miljoen mensen, en is daarmee de enige miljoenenstad in
Thailand. Chiang Mai is de tweede stad met 155.000 inwoners.
Ongeveer 75% van de Thaise bevolking zijn etnische Thai, 11%
heeft Chinese voorouders, en de rest bestaat uit
verscheidene minderheidsgroeperingen (o.a. Indiërs,
Maleisiërs). In het noorden en westen van Thailand wonen
diverse bergstammen. Van alle volkeren in de Thaise
maatschappij zijn zij het minst geaccepteerd en
geassimileerd. Elke stam heeft zijn eigen taal, gewoontes,
klederdracht en spirituele gedachten. De meeste stammen zijn
half-nomaden en zijn de afgelopen 200 jaar geëmigreerd uit
Tibet, Myanmar en China. Andere groepen zijn al veel langer
in Thailand. De bergstammen in het noorden van Thailand
vormen een toeristische trekpleister.
De Karen
(Yang of Kariang) komen van oorsprong uit Myanmar en zijn in
aantal (320.000 mensen) de grootste minderheid. Onder de
Karen vindt men boeddhisten, christenen en animisten. Er
komen nog steeds vanuit Myanmar Karen de Thaise grens over,
vluchtend voor het regime daar. Er zijn vier Karen-groepen:
de Witte Karen, Pwo Karen, Zwarte Karen (Pa-O) en Rode Karen
(Kayah). Deze namen verwijzen naar de dominante kleur bij
hun veelkleurige klederdracht. De Karen zijn bekwame
zilversmeden, en hun weef- en borduurwerk is prachtig van
kwaliteit. Ze passen het zogenaamde ikat-werk toe; de draden
worden vóór het weven in een bepaald patroon geverfd. De
verfstoffen daarvoor zijn het geheim van het dorp; er worden
slechts natuurlijke stoffen gebruikt.
De Yao
(Mien) zijn artiesten in zilver- en borduurwerk. De vrouwen
dragen zwarte jasjes en broeken, gedecoreerd met borduurwerk
en rode 'bontachtige' kragen, en op hun hoofd grote blauwe
of zwarte tulbanden. Bij feestelijkheden dragen de Yao
zilveren sieraden. Hun nederzettingen zijn vaak bij
bergbronnen tussen de 1000 en 1200 m hoogte. De huizen zijn
gemaakt van bamboe en de daken reiken bijna tot aan de
grond. De vloer wordt (behalve in het slaapgedeelte)
onbedekt gelaten. Zij verbouwen rijst, maïs en opium. Van
oorsprong komen de Yao uit Centraal-China. De Chinese
karakters worden ook nu nog gebruikt om de Yao-taal te
schrijven. De Yao hebben een diep vooroudergeloof en
'aanbidden' belangrijke voorwerpen en geesten. Medische hulp
is er onbekend. Bij geboorte, ziekte of overlijden komt de
toverdokter, die helpt door het uitspreken van magische
formules en het verrichten van rituele handelingen. De Yao
zijn vrij in hun seksuele beleving. Jonge mensen kunnen
openlijk en vrij seks bedrijven, en het is niet noodzakelijk
om te trouwen. Vrouwen mogen van de ene naar de andere man
gaan en zijn bij de verschillende ouders welkom. Onwettige
kinderen worden hartelijk in de families opgenomen. Toch
vinden er ook traditionele trouwerijen plaats, waarbij een
bruidsschat wordt betaald door de bruidegom. Er wonen zo'n
22.600 Yao in Thailand, verspreid over 105 dorpen,
voornamelijk in de omgeving van Chiang Rai.
De Meo (Hmong,
Miao of Maew) zijn animisten. Ze komen van origine uit Zuid-China
en zijn in aantal (37.500 leden, verspreid over 148 dorpen)
de tweede groep van Thailand. Ze leven gewoonlijk in
berggebieden en plateaus boven de 1000 m. Er zijn blauwe of
zwarte, witte en gestreepte Meo. Deze drie groepen spreken
dezelfde taal en kunnen het goed met elkaar vinden. De kleur
houdt verband met de kleding die ze dragen. Hun klederdracht
bestaat uit simpele zwarte jasjes en zwarte of indigo wijde
broeken met gestreepte randen of indigo rokken, en zilveren
sieraden. De meeste vrouwen dragen hun haar in een grote
knot. De Meo staan bekend als zilversmeden en wevers.
Opvallend zijn de holle zilveren armbanden, waarvan ze er
soms drie of meer dragen. Ook zijn het zonder overdrijven de
grootste naaldkunstenaars: wie het borduur- en appliquéwerk
ziet, zal dat graag in zijn bezit willen hebben. De
Meovrouwen doen het zware werk en jagen op wild in de
bossen. De mannen vermaken zich in en rond het dorp en velen
roken opium. Polygamie is toegestaan. Wat betreft de
seksuele beleving houdt men er dezelfde gewoonten op na als
de Yao. De Meo verbouwen rijst, maïs en opium.
De Lahu
(Musoe) komen van oorsprong uit Tibet en de Chinese
provincie Yunnan. In Thailand leven 72.000 Lahu verspreid
over 160 dorpen, voornamelijk in de driehoek Chiang Mai -
Chiang Rai - Mae Hong Son. Hun bamboe huizen zijn eenvoudig
en bestaan uit slechts één ruimte. Zes - negen palen dragen
wanden en dak. In het midden is een haardvuur waarop gekookt
wordt. Anders dan bij de Meo en de Yao werken de mannen
lange dagen op de velden. Ze verbouwen dezelfde producten
als de Meo. De vrouwen helpen mee op de akkers, maar houden
zich voornamelijk bezig met de kinderen. Ook zijn ze zeer
bekwaam in weven en borduren. Van jonge meisjes wordt
verwacht dat ze hun eigen huwelijkskleding en die van hun
bruidegom maken. De mannen zijn zeer handvaardig in het
maken van landbouwwerktuigen en gebruiksvoorwerpen. Ook
maken ze prachtige sieraden. De vrouwen van de Lahu dragen
zwarte en rode jasjes en strakke rokken. De mannen hebben
heldergroene of blauwgroene wijde broeken. Ook de Lahu
hebben verschillende groepen, die verwijzen naar de
dominante klederdrachtkleur (rood, wit, geel, zwart). Ze
zijn bij toeristen ook bekend om hun prachtige rijkelijk
gekleurde schoudertassen. Lahu zijn animisten en christenen.
De Akha
(I-kaw of Igor) komen uit de Chinese provincie Yunnan en
wonen tegenwoordig in paalhuizen verspreid over Thailand,
Laos, Myanmar en Zuid-China. De stam telt in Thailand circa
49.000 leden en woont verspreid over 94 dorpen. Hun huizen
staan vaak hoog op een heuvel, ver van een waterbron en om
water te halen moeten ze naar beneden. De huizen van de Akha
zijn net zo gebouwd als die van de Meo en de Yao, alleen
hebben ze een plankier boven de grond als vloer. Er is een
apart gedeelte in huis voor de mannen en een apart deel voor
de vrouwen. Akha zijn herkenbaar aan de onafscheidelijke
pijp, een puntig soort hoofdtooi en een soort jak dat over
het blote lichaam wordt gedragen. De halssieraden van de
Akha zijn plat en massief. Aan een halsband hangt doorgaans
een grote ronde zilveren schijf; aan hun hoofdtooi dragen ze
trossen zilveren munten. Ook de Akha zijn goede wevers. Het
zijn animisten, die aan voorouderverering doen. Voor ieder
Akhadorp staat een poort met aan weerszijden houten poppen,
die dienen om de geesten buiten het dorp te houden. In
regeringskringen beschouwt men de Akha als de meest
primitieve groep. Ze kunnen lezen noch schrijven en het
schijnt ze ook niet te interesseren. Vaak verbouwen ze opium
voor hun eigen consumptie.
De Lisu (Lisaw)
is een klein volk van circa 28.000 mensen, verspreid over 80
dorpen. Ze komen oorspronkelijk uit Tibet. Lisu bouwen
woningen op heuveltoppen die zijn omgeven door andere
heuvels, zodat ze hun 'vijanden' kunnen zien aankomen en
zelf voldoende beschut zijn. De varkensstal, kippenren en
paardenstal worden tegen de huizen aan gebouwd. Opvallend in
de Lisudorpen zijn de bamboe waterleidingen, die water vanaf
vergelegen waterbronnen naar het dorp voeren, vaak
kilometers lang. De Lisu verbouwen rijst en maïs, maar ook
grote hoeveelheden papaver. De Lisumannen gebruiken echter
heel wat minder opium dan de Meo, bij wie veel verslaving
voorkomt. De vrouwen dragen lange veelkleurige tunieken over
hun broeken en soms zwarte tulbanden. Zware zilveren
sieraden completeren het kostuum. De mannen doen qua kleding
niet onder voor de vrouwen; ook hun kleren zijn veelkleurig
en ook zij dragen sieraden. Sommige mannen dragen één
oorring. De vrouwen hebben het niet gemakkelijk in een
Lisugemeenschap, want ze worden vaak als slaven behandeld.
Het huwelijksfeest wordt uitgebreid gevierd, maar daarna is
het uit met de pret. Van de vrouwen wordt verwacht dat ze
hard werken, zich nergens mee bemoeien en niet klagen. Seks
voor het huwelijk is algemeen, net als de vrijheid in keuze
van een huwelijkspartner.
Godsdienst
Als je reist door Thailand kom je uiteraard in contact met
het boeddhisme. Overal zie je de in oranje pijen geklede
monniken, nonnen, boeddhabeelden en sierlijke wats (tempels).
Ongeveer 95 % van de bevolking is er aanhanger van het
Theravada-boeddhisme een zeer oude vorm van boeddhisme, dat
voornamelijk in Thailand, Myanmar, Laos, Cambodja en Sri
Lanka wordt aangehangen. Het boeddhisme is geen godsdienst
in de strikte zin van het woord. Boeddhisten zijn aanhangers
van de leer van Siddhartha Gautama, een prins die zo'n 2500
jaar geleden in Noord-India een levensleer verkondigde, die
in feite bedoeld was om het verstarde hindoeïsme van die
tijd te hervormen. Hij bereikte in zijn leven de verlichting
en ging de geschiedenis in als de Boeddha. Zijn levensleer
zegt al dat het wel of niet bestaan van een god of goden
feitelijk van ondergeschikt belang is voor de boeddhisten.
In navolging van het hindoeïsme beweert de Boeddha dat alles
wat bestaat een eeuwige opeenvolging is van ontstaan en
vergaan (reïncarnatie), waaraan in principe niets kan
ontsnappen; niet de goden, niet het universum, niet de
mensen. Het is hem, de Boeddha, echter wel gelukt om uit dit
eeuwige rad van wedergeboorten los te komen. Zijn leer is
een ontsnappingsmethode naar het nirvana, een staat van
tijdloze rust en eenheid met alles. De eerste grote
boeddhistische waarheid is dat alle leven lijden is. Dit
lijden is het gevolg van onze begeerten. Door het opheffen
van die begeerten kan men een einde maken aan het lijden. De
laatste grote waarheid verwijst dan naar de manier om die
verlangens op te heffen, namelijk door het bewandelen van de
juiste weg. Die juiste weg bestaat uit een systeem van
denken en handelen dat ervoor zorgt dat het karma, van
degene die hem bewandelt, verbetert. Karma is een soort
optelsom van alle goede en slechte gedachten en handelingen
uit dit en vorige levens; een verantwoording voor het
geleefde leven. Naarmate het karma verbetert door het
bewandelen van de juiste weg, reïncarneert men in reinere
vormen. Tenslotte bereikt men het stadium van bodhisattva,
waarin men niets anders meer verlangt dan het geluk van alle
anderen. Vervolgens lost men op in het nirvana, de staat van
verlichting waarin men beseft dat alles wat bestaat illusie
is en slechts een luchtspiegeling van een ondeelbare eenheid
die in zichzelf rust. De meeste Thaise boeddhisten zijn er
niet zozeer op uit om het nirvana te bereiken. Ze gaan ervan
uit dat het nirvana is weggelegd voor sommige monniken en
niet voor de gewone mensen. Door goed te doen proberen ze de
cyclus van wedergeboorte zo voordelig mogelijk te
beïnvloeden. Dat kan bijvoorbeeld door het geven van
geschenken aan de plaatselijke wat (tempel), de verering in
de wat, het voeden van bedelmonniken, het helpen van een
sangha (monnikenorde) of het (tijdelijk) intreden in een
klooster. Ook mediteren en het ondernemen van
pelgrimstochten behoren hiertoe. Het boeddhisme neemt in het
dagelijks leven een zeer belangrijke plaats in. Dit komt
duidelijk naar voren tijdens de religieuze feestdagen en
festivals, meestal met volle maan. Arm of rijk, iedereen
helpt de bedelmonniken aan een schep rijst, gaat regelmatig
naar de wat en heeft in zijn huis een altaar voor boeddha.
Streng in de leer zijn de meeste Thai niet, maar in het
algemeen wel devoot. Een dagelijks zichtbaar symbool is het
bladgoud op de boeddha's. De flinterdunne stukjes goudfolie
worden verkocht in kleine boekjes en in de tempel op een
boeddha gedrukt. Vooral het hoofd (om wijsheid te krijgen),
de borst (vriendelijkheid en gezondheid) en de mond (goed
spraakvermogen) zijn populair. Van iedere man wordt verwacht
dat hij gedurende korte tijd monnik wordt. Meestal gebeurt
dat nadat hij van school komt en voordat hij aan zijn
carrière gaat beginnen. Sommige monniken blijven de rest van
hun leven in het klooster. Voor de plattelandsfamilies
betekent dat laatste veel: een monnik in de familie betekent
geluk en aanzien. Veel Thai geloven ook in geesten.
Tatoeages en gezegende amuletten (phra phum) met
beeltenissen van Boeddha of beroemde monniken moeten geluk
brengen of beschermen tegen kwade invloeden. In de tuin of
op het terrein van vrijwel elk huis, kantoor of openbaar
gebouw staat een geesthuisje (phra phi), een miniatuurhuisje
dat vaak op een zuil staat en de vorm heeft van een kleine
tempel. Ze zijn bedoeld als huizen voor de geesten die op
dat speciale stuk land wonen. Mensen hebben dat land in
gebruik genomen, maar de geesten moeten toch een eigen
onderkomen hebben, zodat ze niet boos worden en dan onheil
brengen. Om de geesten tevreden te houden, moeten er
voortdurend voedseloffers en kransen bij worden gezet. Naast
de boeddhisten zijn er aanhangers van de islam, hindoes,
taoïsten, confucianisten en animisten.
Hoofd
en voeten
Iemands hoofd aanraken is erg onbeleefd, zelfs kinderen even
een vriendelijk aaitje over de bol geven. Het hoofd geldt
als de woonplaats van de ziel en is dus het 'hoogste'
lichaamsdeel, dat dan ook het meest geëerbiedigd moet
worden. Lang geleden moesten zelfs beulen zich bij hun
slachtoffers verontschuldigen voor het 'aanraken' van hun
hoofden. Uiteraard geldt dit taboe niet voor kappers,
masseurs en oorartsen. Iemand wenken in Thailand doe je met
de handpalm naar beneden en een snelle beweging van de
vingers naar je toe. Wijs nooit met een vinger naar een
persoon. Dat is een teken van gebrek aan eerbied voor de
betrokken persoon en degradeert hem/haar tot een
'minderwaardig' mens. In het verleden wezen alleen heersers
op die manier hun slaven aan, en dan was er meestal niet
veel goeds te verwachten. In plaats van met de vinger te
wijzen kun je beter iemand aanduiden met een kort
hoofdknikje, dat getuigt van fijngevoeligheid en fatsoen. De
voet gebruiken om iemand aan te wijzen is nog
minderwaardiger dan het al zo beledigende wijzen met de
vinger. De voeten zijn de tegenpool van het hoofd en worden
voor onrein gehouden, omdat ze het gemakkelijkst met
vuiligheid in aanraking komen.
Tempelbezoek
Bezoeken aan alle heiligdommen dient blootshoofds te
gebeuren en op blote voeten. Als je om een pagode heen loopt,
doe dat dan met de wijzers van de klok mee. Draag je je
schoenen in de hand, dan houd je ze het best in de buitenste,
de linkerhand, want schoenen gelden, net als voeten, als
onrein en mogen daarom niet naar de heilige plaats wijzen.
Ga je met je voeten in de richting van een boeddhabeeld of
monnik zitten, dan maak je je schuldig aan een grove
belediging. Foto's van een toerist voor een boeddhabeeld
worden niet op prijs gesteld.
Omgang
met monniken
Een monnik mag niet worden aangeraakt, vooral niet door
vrouwen. Als een vrouw toch een monnik aanraakt, moet deze
zich onderwerpen aan gecompliceerde reinigingsceremoniën (abatt).
Wil je als vrouw iets overhandigen aan een monnik, doe dat
dan via een man of door het neer te leggen. Ga als vrouw in
het openbaar vervoer ook niet pal naast een monnik zitten,
maar zorg dat er een man tussen zit. Het geldt als bijzonder
onhoffelijk om monniken in de weg te lopen of voor zittende
monniken te blijven staan. Niemand mag, uit respect, boven
een monnik uitsteken en daarom moet je ook gaan zitten of
minstens doen alsof je je klein maakt. Monniken mogen
trouwens geen geld aannemen, wel voedsel of iets te drinken.
Vanzelfsprekend zijn niet alle monniken recht in de leer.
Genieten
Sanuk, sabai, suay. Sanuk betekent 'plezier', sabai is 'gezellig'
en suay is Thai voor 'mooi'. Belangrijke kenmerken van de
Thaise levensfilosofie. Thai zijn plezierzoekers, die het
beste van hun leven proberen te maken, maar dan wel hier en
nu. Het leven behoort sanuk en sabai te zijn. Het 'mooi zijn'
van de omgeving, van personen en dingen is van het hoogste
belang. In Thailand is men als het ware verslaafd aan een
ware schoonheidscultus, die overal tot uiting komt. Mensen
willen netjes gekleed zijn, er verzorgd uit zien. Men wast
zich meermalen per dag van top tot teen en wie zorg aan
zichzelf besteedt, zal nooit twee opeenvolgende dagen
dezelfde kleren dragen. Eten moet uitstekend smaken, want
ook genieten van voedsel behoort tot sabai. Thai denken bij
voortduring aan eten en de korte pauze tussen de talrijke
maaltijden worden gebruikt voor de planning van volgende
menu's. Voorwerpen voor dagelijks gebruik worden eerst
gekeurd op hun schoonheid, en daarna pas op hun praktische
gebruiksmogelijkheden. Bijna dagelijks zijn er in het land
georganiseerde schoonheidswedstrijden. Gathoeys (transseksuelen
of travestieten) worden meestal tolerant tegemoet getreden.
Ze zijn immers suay. Alles en iedereen is acceptabel, als
het maar mooi is.
Kleding
De Thai kleden zich graag formeel voor bepaalde
gebeurtenissen. De Thai zijn, zoals gezegd, minnaars van
schoonheid, die een medemens grotendeels op het uiterlijk
beoordelen. Keurige kleding suggereert zorgeloze welvaart.
Een ongewassen haardos, transpiratiegeur en (ongewassen)
sjofele kleding maken het gezichtsverlies totaal. Een korte
broek is in huiselijke kring en aan het strand geen probleem.
Maar in het openbaar wordt het dragen van shorts als niet
netjes gezien. Bij het bezoeken van tempels dienen met name
vrouwen er voor te zorgen dat armen en benen bedekt zijn.
Omgangsvormen
Meningsverschillen tussen mensen worden zelden openlijk
geuit. Je geduld verliezen, boos worden of een
woordenwisseling in het openbaar betekenen namelijk 'gezichtsverlies'.
Confrontaties worden het liefst uit de weg gegaan, om
anderen niet in verlegenheid te brengen. Kritiek wordt
direct als een persoonlijke belediging ervaren. Ook het
uiten van positieve emoties als genegenheid, gebeuren
subtieler dan wij gewend zijn. Het in het openbaar tonen van
affectie (zoals zoenen) tussen verschillende geslachten
wordt niet op prijs gesteld. Daarentegen lopen jongens met
jongens en meisjes met meisjes vaak hand in hand, zonder
enige bijbetekenis. Bij officiële of religieuze
bijeenkomsten zitten vrouwen en mannen vaak apart.
Glimlachen
Thailand staat bekend als het 'Land van de glimlach'. De
Thaise glimlach is in de eerste plaats bedoeld om het leven
zonder problemen door te komen. Een (glim)lach kan vele
betekenissen en functies hebben, al naar gelang situatie en
sociale omstandigheden. Mensen lachen uit verlegenheid,
onderdanigheid, boosheid, maar natuurlijk ook gewoon uit
blijdschap of vriendelijkheid. Een glimlach wordt ook
gebruikt waar wij 'sorry' of 'dank je' zouden zeggen. Vragen
om een gunst aan privé-personen en ambtenaren hebben zeer
veel kans van slagen, als ze vergezeld gaan van een
vriendelijk lachje. Eigen fouten, misstappen of blunders
worden dikwijls met een lachje verdoezeld, dat tegelijk een
verontschuldiging is. Als Thai glimlachen bij een verschil
van mening, dan is dit een poging om de andere partij
vriendelijker te stemmen om zo een ernstig conflict te
voorkomen. Een glimlach kan ook een weigering inhouden. Als
een verzoek of vraag beantwoord wordt met een lachje zonder
dat daarbij positief wordt gereageerd met een verklaring of
belofte, dan betekent dit lachje "Sorry, dat kan niet", "Dat
weet ik niet", enz. De glimlach is meer een masker voor
verschillende emoties, maar wel prettig om te zien.
Onderhandelen
Onderhandelen is een algemeen verschijnsel in Thailand. Je
wordt verwacht te onderhandelen op de markt en in
toeristenwinkels, in taxi's zonder meter, tuk-tuks (gemotoriseerde
driewielige riksja's) en samlors (fietsriksja's). In
songthaews (kleine pick-ups) en lokale bussen die vaste
routes rijden hoef je niet te onderhandelen. Onderhandelen
is overigens een sociale bezigheid en niet een zaak van
leven of dood!
Bijgeloof
Behalve het geloven in geesten is er ook veel bijgeloof.
Hier enkele van de 'do's and don'ts'. *De uitvoering van
grote plannen, bijvoorbeeld verhuizingen of reizen moeten
nooit op een woensdag worden begonnen. Zelfs haarknippen op
deze dag zou ongeluk kunnen brengen. Daarom zijn vele
kapperszaken op woensdag gesloten. Er zou toch niemand komen.
*Zwangere vrouwen moeten nooit op de drempel van de deur
gaan zitten. Dat zou een zware bevalling tot gevolg kunnen
hebben. Om een lichte bevalling te waarborgen, moet de vrouw
onder de buik van een olifant doorkruipen. Zwangere die met
een grote keukenlepel eten, krijgen kinderen met grote,
lelijke monden. *Tijdens een maaltijd in de huiselijke kring
mag nooit opgemerkt worden dat het eten goed smaakt. Dat zou
gehoord kunnen worden door geesten, die dan buikpijn zouden
opwekken. Kleine kinderen mogen om dezelfde reden nooit mooi
genoemd worden, maar moeten altijd met 'lelijk' worden
betiteld, opdat de geesten het kind niet zullen opmerken en
het uit jaloezie eventueel zouden pijnigen. *Overledenen
krijgen een munt in de mond gelegd, opdat zij tijdens hun
zielsverhuizing niet geheel platzak zijn. Nadat het lichaam
is verbrand proberen de begrafenisgangers de munt te vinden,
aangezien deze veel geluk zal brengen. *In huis mag men niet
fluiten, aangezien daarmee de boze geesten worden aangelokt.
Het
koningshuis
Buitenlanders zullen maar moeilijk kunnen begrijpen hoever
de eerbied van het Thaise volk voor de koninklijke familie
reikt, aangezien een dergelijke relatie in geen enkel ander
land ter wereld te vinden is. De tegenwoordige vorst, zijne
majesteit Bhumibol Adulyadej, Rama IX, besteeg de troon in
1946, en is daarmee de langst regerende vorst van de
Chakri-dynastie. Koning Bhumibol (uitspr: Phumíphon) en
koningin Sirikit zijn een symbool van wijsheid, goedheid en
liefde voor het volk. De burgers geven de koning een grote
persoonlijke loyaliteit, deels vanwege de traditie, maar ook
vanwege diens positieve inzet voor de Thaise samenleving. In
hotels, restaurants, bussen, tuk-tuks en openbare gebouwen
hangen vele portretten van het koningspaar. Veel Thai zien
hun koning als een soort halfgod. Negatief commentaar op de
koninklijke familie is zowel een sociaal als legaal taboe.
Festivals
Het aantal festivals in Thailand is ongelooflijk. Erg sanuk!
Het lijkt wel of er altijd ergens iets aan de gang is,
vooral gedurende het koele seizoen tussen november en
februari. Veel festivals zijn gekoppeld aan boeddhistische
rituelen (zoals pelgrimstochten) en volgen de maankalender,
zodat de feestdata ieder jaar anders zijn. * April:
Nieuwjaar, Songkran, wordt gevierd in midden-april.
Boeddhabeelden worden 'gebaad', aan monniken wordt respect
getoond door water over hun handen te sprenkelen en de
woningen worden grondig schoongemaakt. De menigte wordt
gekoeld met sloot- en ijswater in dit festival dat
plaatsvindt als het op zijn heetst is. Ook als toerist mag
je dan verwachten drijfnat te worden gegooid door vrolijke
Thai. Als je droog wilt blijven, kun je je het best even in
je kamer opsluiten. * Mei: Het vuurpijlenfestival (rocket
festival) wordt gehouden in het noordoosten en noorden van
het land. De vuurpijlen die dan in de lucht worden
afgeschoten, zijn bedoeld om een overvloedige regen voor de
volgende oogst te vragen. Dansprocessies trekken door de
straten en er wordt stevig geroffeld op de trommels. *
November: Loy Krathong is het feest van de drijvende
lichtjes, een van de mooiste feesten. Het wordt 's avonds
gehouden bij volle maan en vindt plaats bij rivieren en
kanalen. Lotusvormige bootjes (krathong) drijven langs met
daarin bloemen, muntjes, wierook en een kaarsje. * December:
Op 5 december wordt de verjaardag gevierd van koning
Bhumibol. Zeker in Bangkok gebeurt dit zeer uitbundig.
Koningin Sirikit is jarig op 12 augustus. Ook dan is het
feest. Tevens wordt op 12 augustus moederdag en op 5
december vaderdag gevierd waar zeker niet onopgemerkt aan
voorbij wordt gegaan.
Eten en
drinken
Eten is voor iedereen belangrijk, maar de Thai hebben het
verheven tot een levensstijl. In het sociale leven is eten
van groot belang, erg sanuk. Thaise mensen eten niet op
vaste tijden: er wordt gegeten wanneer men trek heeft.
Daarom kan, zeker in de steden, op ieder tijdstip gegeten
worden. Er zijn speciale voedselmarkten, nachtmarkten,
noodle-stalletjes langs de weg, en overal mensen die kleine
snacks of fruit verkopen. Eten van de straat is zo goedkoop
en lekker dat veel mensen maar zelden koken. Op het
platteland is dit natuurlijk anders. Let bij het eten op
straat op de regel veel klanten = veel verse aanvoer. Toch
moet de gemiddelde westerse maag even wennen aan de andere
ingrediënten waarmee het Thaise eten bereid wordt, en de
andersoortige bacteriën waar de spijsvertering mee te maken
krijgt. Begin dus rustig, niet te heet, niet te gekruid.
Thai houden zelf over het algemeen van heet, gekruid eten.
Toch zijn niet alle gerechten even heet. Er zijn gradaties,
en sauzen worden gebruikt om desgewenst extra vuur toe te
voegen. Wil je je eten minder scherp, vraag dan mai pet.
Rijst en
rijstnoodles zijn de basisingrediënten van de Thaise keuken.
De rijst wordt gewoonlijk gestoomd, voor sommige
specialiteiten geeft men de voorkeur aan kleefrijst (kao
niao). Groenten en vis worden meer gegeten dan varkensvlees,
rundvlees en kip (kai), hoewel daar verandering in komt met
de stijgende welvaart. Het zijn de kruiden die de Thaise
keuken zo bijzonder maken. Er wordt veel gewerkt met
koriander (phak chii), citroengras (takhrai), een soort
citroenblad (bai makroet), verse basilicum (bai kaprao),
limoen (manaau), knoflook (krathiam), laoswortel (khaa),
garnalenpasta (kapi), chilipepers en kokosmelk (kathi). Met
name op de markt wordt ook veel gewerkt met de
smaakversterker ve-tsin. Mensen die daar allergisch voor
zijn, opgepast! Bij de Thaise maaltijd worden vaak veel
bijgerechten geserveerd. Alles wordt bij de hoofdmaaltijd
opgediend, inclusief de soep. Soep wordt in Thailand nooit
gegeten als voorgerecht. Enkele soepen zijn tom yam kung (garnalen-
en citroengrassoep met champignons) en thom khaa kai (soep
met kip, gember en kokos). De keuze aan andere vlees- en
visgerechten is groot. Ook vegetariërs kunnen hier wel wat
van hun keuze vinden.
Fruit is overal (afhankelijk van het seizoen) te koop, er is
een ruime keuze: banaan, mango, papaja, mangosteen (ronde,
purperen vrucht met sappig zoetzuur smakend wit vruchtvlees),
custardappel, pomelo, doerian (grote ovalen vrucht, die
ondanks de afstotende geur een heerlijke smaak heeft),
jackfruit, ramboetan (rood-'behaarde' vrucht met een grote
pit en sappig vruchtvlees) en kokosnoot zijn enige
voorbeelden.
Het water
uit de kraan is niet geschikt voor consumptie. Koop flessen
gezuiverd drinkwater, dat kan overal wel in het land. Let er
wel op dat de flessen hun oorspronkelijke sluiting hebben.
IJsklontjes in je cola zijn ook taboe, die worden immers
gemaakt van leidingwater.
Thee (cha
ron) en koffie (gafe, meestal Nescafé) is vrijwel overal
verkrijgbaar. Vaak worden ze ook opgediend met ijs, als
ijsthee of ijskoffie. Frisdrankjes zijn tevens alom te koop.
In verband met het statiegeld op de flesjes, wordt de
flesinhoud vaak op straat even overgegoten in een plastic
zakje, met daarin een rietje gestoken. Ook worden er
heerlijke vruchtensappen te koop aangeboden met daarin de
verschillende lokale fruitsoorten. In Thailand worden zeven
biersoorten gebrouwen: Singha (het meest gedronken), Amarit,
Kloster Chaang Bia, Leo Beer, Heineken (eigen brouwerij in
Nothaburi) en Carlsberg (eigen brouwerij in Bangkok). Het
Thaise woord voor bier is bia. Bier is duur en smaakt nogal
bitter. Als sterke drank kun je de goedkope Thaise
Mekong-whisky kopen, maar ook westerse merken. Wijn is
alleen verkrijgbaar in de dure restaurants en luxe winkels.
Klimaat
Thailand heeft een tropisch klimaat die in drie seizoenen
verdeeld kunnen worden: het is erg heet in maart en mei,
daarna komt de moesson deze is gedurende de maanden juni tot
en met september en het is koeler van oktober tot en met
februari.
Beste
reistijd
De beste tijd om naar Thailand te gaan is tussen oktober en
februari, tijdens deze maanden regent het het minst en is de
temperatuur niet te heet. |